Er zit een code gekerfd in mijn
donkere ingewanden, die onder
zekere omstandigheden
mijn lippen doet pruilen,
mijn water breken.

Een kracht, alleen met
fluwelen handschoenen en zijden
blinddoek te benaderen,

kabels strak, touwtjes vieren,bloedgolven
in de binnenlanden!
Loszwierend sterrenstof en ander puin,
behorend tot de kringloop van mijn
verdronken leven.

Ach, zo glinsterend te zijn, een lichtroze
windhoos!

Laat mij maar wegwaaien, doorkrampen,
uitspoelen, ik
ben niet te redden, wat had je dan
gedacht?
Mijn smorende geest laat zich niet
de hand aan zichzelf, noch
geprakt door een theezeefje!

Zij is wat zij wezen moet,
puur en ongezoet,
een enkeltje
naar haar eindpunt.